TPE en verlies van identiteit: give me a break!
Om te beginnen met het eerste: TPE. Ik heb nooit van die term gehouden en me er altijd tegen verzet. Er zit te veel ruis omheen: internetruis, welteverstaan. En er zijn ook vast betere termen te verzinnen, die de lading meer dekken. Maar daarover een andere keer.Ik leg liever uit dat Frank en ik ons het beste voelen als er een zo groot mogelijk verschil in macht is tussen ons, waarbij ik van hem ben. In alles, overal, altijd, zo voelbaar, tastbaar mogelijk. Lang niet altijd zichtbaar, maar soms wel. Dat werkt zo tussen ons. Punt. Hij kan doen wat hij wil, altijd, overal, onbegrensd. Hoe zich dat uit in het dagelijks leven, dat is vers twee. En ook daarover een andere keer.
Natuurlijk, iets dat absoluut is of als zodanig wordt gepresenteerd, dat roept discussie op. En terecht: de wereld is immers niet zo zwart-wit en er zijn overal grijstinten. Wat de één past, past de ander niet. Waar ik mij goed bij voel, doet een ander gruwelen. Daar is niets mis mee.
Wij maken heftige keuzes die niet passen in een gangbare monogame-vanilla-hetero-relatie. Meestal in alle rust in onze eigen wereld, maar soms ook (deels) wat openlijker, vangen anderen er een glimp van op.
Iemand die, zoals ik, als eigendom, als onderdanige in een absolute relatie leeft, waarin elk streven erop gericht is de machtsverhoudingen zo radicaal mogelijk in te richten, loopt soms tegen de ‘buitenwereld’ aan. Soms rechtstreeks, soms via anderen met wie ik in contact kom.
Eén van de ideeën of angsten die ik hoor, is de opmerking dat zo’n soort onderdanige ‘elke eigenheid, elke identiteit’ verliest. Immers, zij moet als sloof altijd doen wat die ander wil, helemaal opgaan in hem. Dat maakt haar zwak, weerloos en helemaal niet meer zichzelf.
Nu snap ik dat ook wel, in onze maatschappij is het immers één van de normen dat je recht hebt, als volwassen individu op zelfbeschikking, keuzevrijheid, regie over het eigen bestaan. Feitelijk zijn dit zaken die ik- met mijn levenswijze- ter discussie stel. In elk geval voor mijzelf. Want realistisch beschouwd, gelden al die dingen niet (meer) of niet in die mate voor mij. En door dat hardop te zeggen, haal ik heilige huisjes omver.
Zwakte, weerloosheid en uitbuiting, dat zijn zaken die ik niet zo voor de hand vind liggen. Integendeel. Onze relatie is tweezijdig. Hij neemt controle, ik geef, laat los. Hij grijpt de macht, ik draag over. Hij leidt, ik volg. Het één kan niet zonder het ander. Het is een continu proces, een continue wisselwerking. Van éénrichtingsverkeer (hij buit mij uit) is in geen geval sprake. Wij hebben beiden een bepaalde behoefte, die zien wij vervuld in onze relatie. Want ook van hem is het geen altruïsme of egotripperij. (noot1)
Ja, het klopt: hij kan alles, altijd, overal doen wat hij wil. Ook met mij. En daar ding ik niets op af. Ik stel geen enkele grens, in niets. Dat is wat hij ook wil en waar hij zijn voordeel mee doet.
De keerzijde hiervan is dat hij zich terdege realiseert dat hij een persoon om zich heen heeft, die in het extreme afhankelijk is- en steeds meer wordt- van zijn zorg. De verantwoordelijkheid die hij daarmee op zich neemt is gigantisch.Hij beseft dat er op den duur geen enkele situatie is, waarin ik hem níet zou volgen. Dat ik nooit ‘nee’ zeg. Ultiem afhankelijk, maar in ultiem vertrouwen.
En nu kom ik op mijn punt: als iemand mij mijn identiteit heeft gegeven, dan is het Frank wel. Ik ben meer mijzelf geworden dan ik ooit ben geweest. Ik heb ook veel meer ruimte daarvoor gekregen in onze relatie dan ik ooit gehad heb, of mezelf ooit zou hebben toegestaan. Dat is de paradox: als eigendom heb ik niets te bepalen, maar alle ruimte om mezelf te zijn. De opdracht zelfs, om mezelf te zijn. Iets anders heb ik niet.
Door de interactie met hem, kom ik in contact met wie ik in mijn diepste wezen ben. Dit mag zweverig klinken, maar het is zoals het is: ik word continu geconfronteerd met mezelf, mijn eigen (gebrek aan) vertrouwen, mijn eigen angsten, gedachten, controlemechanismen. Een totale confrontatie met hoe ik ben en hoe ik in het leven sta, hoe ik ben geconditioneerd.
En gekoppeld daaraan altijd de stimulans om te leren, positief naar mezelf en het leven te kijken. De middelen daarvoor heeft hij te over: hij kan me verbieden over mezelf te oordelen bijvoorbeeld (mijn oordeel is niet relevant, want ik ben van hem) of hij kan me opdragen een andere baan te zoeken of te stoppen met werken. Hij kan me confronteren met hoe ik tegen mijn lichaam aankijk, door me niet toe te staan kleding te dragen. Om maar wat voorbeelden te noemen.
“This is how you remind me of what i really am.” Zingt Nickelback in een liedje en zo werkt het voor mij.
Ik verlies dus niet mijn eigen identiteit, integendeel. Ik verlies wel de identiteit die me is aangeleerd, die ik mezelf heb aangeleerd, die cultureel of sociaal bepaald is misschien. Die mij in de opvoeding is meegegeven: zo hoort een meisje te zijn, zo ben je als volwassen vrouw, dit en dat zijn de kaders voor liefdesrelaties. Zo hoort het en zo niet. Iedereen is op een bepaalde manier geconditioneerd
Al die dingen, als je dat identiteit noemt, laat ik langzaam los. En daar ben ik vast over 30 jaar nog mee bezig. Gemakkelijk is het niet en soms voelt het ook even als ‘jezelf’ kwijt raken, omdat ik iets moet laten gaan waar ik nog geen alternatief voor heb. Geen kaders, geen duidelijkheid. En dan wil ik het gewoon niet, verzet ik me. Maar binnen onze relatie kan dat, omdat ik altijd op hem terug kan vallen, altijd zijn grenzen heb en hem kan volgen. Uiteindelijk raak ik echter niet mijzelf kwijt, of mijn identiteit, integendeel. Ik raak ballast kwijt. Soms allerlei gedachtes, normen, ik neem afstand van ‘hoe het hoort’ en richt me op hem.
noot 1: Maar in dit stukje spreek ik voor mijzelf, niet voor hem. Zijn kant kan hij veel beter zelf uitleggen.










(1 votes, average: 4.00 out of 5)
Leave your response!